Artikel Schrijven Magazine: Zes Valkuilen bij dialogen schrijven

 

Een goede roman kan niet zonder goede dialogen. Tips over hoe je die moet schrijven kennen we inmiddels wel, maar het is ook essentieel om te weten wat juist niet werkt. Zes valkuilen waar je niet in wilt vallen.

Verschenen in: Schrijven Magazine, augustus 2014

Door: Marit van Ekelenburg & Leonardo Pisano

Zwijgen mag volgens het spreekwoord dan wel goud zijn, maar het is wanneer je personages praten dat je lezers luisteren. In fictie zijn dialogen de enige keren dat er geen barrière aanwezig is tussen lezer en personages: geen inbreuk van de schrijver-verteller die tekst en uitleg geeft. Aspecten als woordkeuze, ritme en toon geven de personages kleur. Mits goed gedaan, zijn de lezers in de scène aanwezig, wat een zekere intimiteit impliceert. De lezers zijn toehoorders en weten dat ze niets kunnen zeggen, net als wanneer ze naar een film kijken. Ze weten ook dat ze niet álles te horen krijgen. Om deze redenen reageren lezers sterk op gesprekken tussen personages, en daarom zijn zo veel romans sterk geënt op dialogen. Ze maken dat het verhaal levensecht voelt.

Er zijn echter valkuilen die de kracht van dialogen om zeep helpen. In dit artikel bespreken wij er een paar.

1. De directe aanspreking

‘Gaat Erik vreemd, Jannie?’
‘Erik gaat vreemd, Carla.’
De zussen keken elkaar aan, elk in hun eigen gedachten.
Een directe aanspreking kun je gebruiken als je – bijvoorbeeld – een dialooglabel wilt vermijden, maar in de meeste gevallen krijg je een onnatuurlijke conversatie zoals hierboven. Zo praten mensen simpelweg niet met elkaar.

2. De herhaling

Simone was nerveus voor haar blind date. In de foyer haalde ze diep adem en stapte in haar felblauwe jas en rode pumps het aangrenzende restaurantgedeelte binnen. ‘Jij moet Simone zijn,’ zei de man, terwijl hij op haar schouder tikte. ‘Staat je goed, die felblauwe jas en rode pumps.’ Hier wordt tweemaal beschreven hoe Simone gekleed gaat. Dergelijke herhalingen sluipen erin als er meer tekst tussen de introductie en de dialoog staat. In de dialoog kan de herhaling bijvoorbeeld gewijzigd worden door: ‘Gelukkig ben ik niet kleurenblind. Ik herkende je direct.’

Herhaling wordt ook ingegeven door de gedachte dat een nieuwe persoon in de scène op de hoogte moet worden gesteld, omdat anders – zo is de gedachte van de schrijver – het niet logisch is dat deze van de noodzakelijke details op de hoogte is. Vat in zo’n geval samen, maar herhaal niet. Hans vertelde Peter welke streek Johanna had geleverd… en pak dan de draad weer op.

3. Het ongepaste taalgebruik
Niemand doet het volgende, toch?

De conciërge kwam binnen. ‘Professor Lievers? O, aanvaard alstublieft mijn nederige excuses. De fout ligt geheel aan mijn zijde. Toen ik uw apparaat zag staan, zag ik, bij nader inzien, dat de intrinsieke logica van uw ontwerp een ogenschijnlijk triviale, maar cruciale fout… [enzovoort].’

Dergelijk taalgebruik past niet bij een conciërge.
Een gerelateerde valkuil is dat je bij het redigeren een regel weghaalt en dat dan het gesprokene aan het verkeerde personage wordt gelinkt.

4. Het broodje pindakaas

In het dagelijks leven voeren we voortdurend gesprekken met anderen om informatie uit te wisselen, problemen op te lossen, conflicten voor te blijven of zomaar om de tijd te do- den. Als je luistert naar hoe en wat mensen zeggen, dan zal je horen dat zinnen niet worden afgemaakt, woorden worden herhaald, onzinnige dingen worden gezegd en mensen elkaar of zichzelf voortdurend onderbreken. Wij filteren die onvolledige gedachten en interpreteren ze door non-verbale signalen en onze achtergrondkennis van de gesprekspartner. Als we alles letter- lijk zouden uitschrijven, zal de lezer snel uit verveling afhaken.

‘Dag, moeder, dit is Bastiaan.’
Mijn moeder stopt met het smeren van haar boterham met pindakaas. Ze geeft Bastiaan een hand en zegt: ‘Johanna. Aangenaam.’
‘Ik heb uw dochter een lift naar huis gegeven.’
‘Heel erg bedankt. Neem toch plaats.’ Zo’n conversatie voegt niets spannends toe. Waarom zou de lezer geïnteresseerd zijn in dergelijk gekeuvel? In de boterham met pindakaas?
In fictie behoren dialogen ontspeend te zijn van de nietszeggende elementen en naar een doel toe te werken. Op een tweeslachtige manier lijken dialogen dus niet zozeer op gesprekken zoals ze in het dagelijks leven plaatshebben, maar moeten ze wél de indruk geven van echtheid. Bovendien is het voor deelnemers aan een werkelijk gesprek lastig om te weten wat de spreker denkt. Het is op dit punt waar fictieve dialogen een enorm voordeel hebben ten opzichte van dagelijkse gesprekken.

5. De inbreker

Stel je kijkt naar een film en raakt zeer betrokken bij het drama dat zich ontvouwt. Na een kwar- tier klinkt er een voice-over.
‘Ziet u wat hier gebeurt, kijker? Onder- kent u hoe sluw Fred zijn kinderen mis- handelt? Hebt u gemerkt dat Wilma haar kop in het zand steekt? Dit conflict is essentieel om het verhaal te begrijpen.’ Je snapt natuurlijk best waar die film over gaat. Je bent niet dom; het is je niet ontgaan wat er in de scènes is gebeurd. Je hebt geen regisseur nodig om dat uiteen te zetten. Je voelt je betutteld.

Betuttelen is precies wat je doet als je je dialogen uitlegt aan de lezer. Of dat nou in de dialoog zelf gebeurt, of in de gedachten van een personage maakt daarbij niet zoveel uit. Het maakt de lezer bewust dat er een schrijver is, wat een storend effect heeft op zijn beleving. Een andere vorm van uitleg is indien de schrijver vertelt hoe iets wordt gezegd in de dialooglabel (zoals ‘zei ze poeslief’ of ‘zei Peter cynisch’). Er wordt dan door de schrijver bepaald hoe je iets zou moeten lezen of opvatten. Ook zulke regiewoorden maken de schrijver zichtbaar.

6. De bladvuller

Soms zien we dialogen die niets toevoegen aan het verhaal. Stel dat in een thriller de hoofdpersoon een pakje sigaretten gaat kopen. Het doel van de scène is om een reden te hebben dat de hoofdpersoon niet thuis is – bijvoorbeeld – als er een bom afgaat. Maar we krijgen iets als het volgende:

Henk ging het sigarenwinkeltje binnen. ‘Kan ik u helpen?’ vroeg Karel, de eigenaar.
(Voeg ‘vriendelijk’ toe voor puntenaftrek.) Vervolgens komt er een uitgebreide dialoog waarin de winkel wordt beschreven, de sigarettenmerken, de geuren, de rolstoel van de eigenaar en hoe vaak hij al is overvallen…

Onthoud dat dialoog – net als bij het voorbeeld van het broodje pindakaas
– altijd een doel moet hebben. Het moet elementen van de plot onthullen of iets over de personages laten zien. Dialogen die alleen als vulling dienen werken averechts.

Tot besluit

De voorbeelden bij de genoemde valkuilen zijn aangedikt om de principes duidelijk te maken. In je eigen schrijfwerk ben je er vaak blind voor en de ‘labels’ helpen om ze te onderkennen. Ook toen wij onze eigen manuscripten erop nalazen, zagen we dat er zich wat broodjes pindakaas en inbrekers in hadden genesteld. 

 

 

Advertenties

2 reacties Voeg uw reactie toe

  1. Christine schreef:

    Gewoon een vraagje , want ik ben het er niet helemaal mee eens. Als je niet mag zeggen ‘zegt hij bits’, hoe kan de lezer dan weten op welke manier hij het zegt? Je kunt iets bijtends zeggen maar je kunt het ook anders zeggen. Het geeft de gemoedstoestand van het personage weer.

    Like

    1. maritschrijft schreef:

      Goede vraag, Christine! Dat is wat mij betreft nu precies de uitdaging van een schrijver. Hoe trek je iemand volledig in het verhaal, zonder daarbij aan de lezer op te leggen hoe hij een zin of woord moet lezen. Een dialooglabel is een instructie. Een handleiding voor de zojuist gesproken tekst. Ik probeer dit altijd zoveel mogelijk te vermijden, omdat ik niet wil dat de lezer mij als derde persoon – als een soort poppenspeler – in de dialoog ziet opduiken. De kunst is om het ‘hoe iets gezegd wordt’ te laten blijken uit houding, gezichtsuitdrukking, stemvolume etc.

      In een echt gesprek zeg ik ook niet: “Dat is dan ook je eigen schuld. Ik zeg dit bits”

      Dit zeg ik niet zo, omdat ik in echt gesprek de luxe hebt om direct van alle zintuigen gebruik te maken. Dit kun je bij het schrijven van een fictie-verhaal trachten zo goed mogelijk na te bootsen, voor een regelrechte beleving van het gesprek (minus poppenspeler). Hoe zegt iemand in een gesprek iets op een bitse toon? Je knijpt je ogen samen, buigt je wat naar voren en zegt het zo dat de woorden zich bliksemsnel op elkaar volgen. Althans, dat is hoe IK iets op een bitse manier zeg. Saillant detail: ik zit tijdens het schrijven dan ook vaak gekke bekken te trekken. Je zult merken dat als je wat dialoog-labels schrapt, je karakters echt meer tot leven komen.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s